Kalasi

Banden smeden met scholen in Bas-Congo

Visie

Onze Visie

Waarom 12 scholen in Congo helpen?
                           Het onderwijs is een belangrijke sleutel tot ontwikkeling (Nelson Mandela).

--De Congolese overheid verwaarloost het onderwijs, zeker in het binnenland
Het onderwijs in Congo is er globaal genomen slecht aan toe. De toestand is het slechtst in het binnenland. Dit is een gevolg van de jarenlang verwaarlozing van deze sector en wanbeheer door de overheid. Het is voor de Congolese scholen zeer moeilijk om zomaar op eigen kracht uit het diepe dal te klimmen. Nooit was het analfabetisme zo groot. Nooit was er een zo groot tekort aan gekwalificeerde leerkrachten.  Wie de capaciteiten heeft zoekt ander werk met een hoger loon. Als het onderwijs nog verder wegzakt, zullen er snel geen gekwalificeerde mensen meer over zijn.

-De grote internationale organisaties willen een diepgaande hervorming van het Ministerie van Onderwijs, maar ze slagen er nog steeds niet in
Internationale instanties als de Wereldbank  doen er zeer lang over om te bepalen wat er precies prioriteit moet krijgen in de aanpak van het Congolese onderwijs. Ze zijn wel bezig met het algemene probleem, bijvoorbeeld de betaling van de functionarissen in RdC, maar een effectieve actie voor een verbetering van de functie en het loon zal nog een tijd op zich laten wachten. En dan moet nog de eigenlijke verbetering van de onderwijsinhouden en –methodieken aangepakt worden.

-NGO’s hebben andere prioriteiten dan het formele onderwijs
De traditionele nationale solidariteitsorganisaties in Vlaanderen zoals Broederlijk Delen, Memisa en 11.11.11 hebben andere prioriteiten. Zij steunen principieel geen onderwijsprojecten, maar eerder de landbouw, mensenrechten, straatkinderen en de medische zorg enz...
Hun logica? Het is de staat zelf die in alle landen en dus ook in Congo voor het formele onderwijs moet zorgen. Als grote niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) scholen willen steunen, dan is het moeilijk om een grens te trekken, zij kunnen onmogelijk steun bieden aan álle scholen. Verder oordelen die ngo’s soms terecht dat de mensen best eerst meer duurzame economische activiteiten ontplooien en daarvoor een rechtvaardig loon ontvangen, om daarna zelf het onderwijs voor hun kinderen te organiseren en te bekostigen.  Men vergeet dan vaak dat een school openen op zich niet volstaat. Er is kwaliteit van onderwijs nodig.  Daar kunnen gespecialiseerde kleinschalige onderwijs-organisaties als KALASI toe bijdragen.

-KALASI  kan de structurele problemen van en de Congolese samenleving  het onderwijs niet oplossen, maar kan wel proberen het verschil te maken voor een beperkt aantal scholen
Betere lonen, betere universitaire lerarenopleidingen, stoppen van de achterstelling van het binnenland, tegengaan van de totale verloedering van de wegen…dit alles overstijgt uiteraard compleet onze mogelijkheden. 
Toch heeft het zin om bepaalde aspecten van het onderwijs, die wel in de macht liggen van de plaatselijke directies, te proberen verbeteren. Hoe kleinschalig de projecten ook mogen zijn, het heeft zin.
-Elke kleine verbetering van de situatie van leerlingen en leerkrachten, al was het maar in één of in een paar scholen is zinvol op zich:
               (een dak dat niet meer lekt, een degelijk schoolbord, voldoende schoolbanken,
               aangepaste actuele handboeken en handleidingen voor de verschillende vakken..)
 -De kwaliteit verbeteren in ‘onze’ scholen kan positieve effect hebben op andere scholen
               (Bv. door stages van leerkrachten in opleiding die goede modellen zien in onze
                lagere scholen. Zo kan een vicieuze cirkel doorbroken worden.)


 -Zeker in het binnenland hebben scholen een algemeen opvoedend effect. Zelfs wanneer de vakken (nog) niet op voldoende hoog kwaliteitsniveau onderwezen kunnen worden (bij gebrek aan goed opgeleide leerkrachten), valt er toch een positief verschil te noteren als kinderen naar school gaan.

-We hechten veel belang aan de verbetering van de situatie van de leerkrachten.  Dit heeft indirect een positief effect op de leerlingen.

Focus op de leerkracht is nodig en haalbaar: wanneer het algemeen welbevinden van de 250 leerkrachten verhoogt, bijvoorbeeld door een kleine maaltijd op school, dan heeft dit een positief effect op hun didactisch en pedagogisch handelen in de klas; wanneer een leerkracht beschikt over een degelijk handboek en het nodige didactisch materiaal, komt dat zijn/haar lesgeven ten goede.
Ook veel kinderen zouden gebaat zijn met een kleine maaltijd op school of met het persoonlijk beschikken over handboeken van elk vak en hulpmiddelen als schriften, schrijfgerief, passer, meetlat etc..,  maar ons budget laat dit uiteraard niet toe om dit voor bijna 5.000 kinderen en jongeren te voorzien.

-Voorwaarde om te kunnen steunen vanuit Vlaanderen: een duurzaam partnerschap voor lange termijn aangaan met één overzichtelijk, controleerbaar en betrouwbaar netwerk van scholen (duidelijke leiding en verantwoordelijkheden). Onze partners voldoen aan deze voorwaarde.
We werken samen met de Congolese tak van de congregatie van de zusters van de H.Vincentius a Paulo, dienstmaagden der armen te Gijzegem.  Dit is een financieel autonome tak van ca. 110 Congolese zusters, waarvan er ca. 20 verantwoordelijke posten hebben in lagere en secundaire scholen.  Er is een centrale leiding : de Provinciale Overste van de Soeurs Servantes des Pauvres in Lukula.  Deze zuster coödineert de activiteiten van Kalasi en wordt daarvoor bijgestaan door een kern van drie zusters (le Noyau de Kalasi).
We vermijden alsnog om samenwerkingsverbanden aan te gaan met de hogere onderwijsoverheden ( provinciale onderwijsdivisie, diocesane coördinatiediensten van het katholiek onderwijs).  Zo blijven we onder de radar van bureaucratische (en vaak corrupte) bemoeienissen, die onze acties enkel maar zouden vertragen en onze gelden mogelijks zouden afromen. Naar deze instanties toe is het alsof de Congolese zusters zelf aan de basis liggen van de (financiering van de) projecten.  Zo vermijden we ook vragen en eisen om onze werking naar andere scholen in de regio uit te breiden.

-Het zijn de plannen van de Kalasi scholen, en dus niet onze plannen die wij realiseren met gecontroleerde financiële steun.
Alhoewel wij met een Westerse bril heel wat ideeën kunnen formuleren om de onderwijskwaliteit (inhoudelijk en methodisch-didactisch) op te krikken, toch volgen wij bewust hún plannen ritme en hún prioriteiten.  Dit heeft o.m. voor gevolg dat voorlopig veel geld gaat naar verbetering van de basisinfrastructuur, en relatief té weinig naar permanente vorming van de leerkrachten.
Dit neemt niet weg dat we voortdurend aandringen dat zij zelf ook vormings-projecten zouden indienen.  Ze echter pas als zij er echt aan toe zijn, dat deze vorming ook vruchten zal afwerpen.

-We verzoenen ons met de gedachte dat het een werk van lange adem is.
Er zijn heel wat factoren die maken dat het onderwijs in Congo van bedenkelijke kwaliteit is. Er zijn onder meer belangrijke culturele factoren die het onderwijs als pure theoretische kennisoverdracht zien ( een beetje zoals bij de voor-koloniale opvoedings-en initiatiepraktijken), waarin oefeningen, nieuwe toepassingen en divergent denken zelden aan bod komen. Het jaarlijkse Staatsexamen, dat enkel de theoretische kennis toetst, werkt dit in de hand.  Er is dus een grondige mentaliteitsverandering nodig en dat zal veel tijd vragen.